De schuilkelder was onze tribune

Door Rianne Oosterom

“Ik zat als kind op de rand van de schuilkelder aan de Flamingostraat te genieten. De moffenmeiden uit onze buurt werden één voor één opgehaald en op een rij gezet. Op de achtergrond speelde een muziekkorps. De mensen joelden achter mekaar door.

Het gebeurde drie keer, eerst werden vier vrouwen kaalgeschoren door buurtbewoners, daarna drie en toen nog eens vijf. Ze keken intriest voor zich uit, die vrouwen. Er werd een hakenkruis op hun hoofd getekend – ik geloof dat het met teer was; het was in ieder geval goed zwart.

Ze zijn de hele wijk doorgereden op een kar met een paard ervoor, het muziekkorps voorop, wij als jongens erachteraan. Dat deed je als kind, het was normaal. Je zag geen gevaar, je liep mee en schold: ‘Moffenlellen, moffenmeiden, moffenhoeren’. Of het goed was of niet, dat besefte ik niet – ik was als kind alleen maar blij dat de oorlog voorbij was.

Nu ik er zo over nadenk, vind ik het niet normaal. Het was onmenselijk en schandalig. Het waren jonge meiden van twintig, misschien tweeëntwintig, uit de omliggende straten. Het moet heftig voor ze zijn geweest. Ik weet niet of ik nou wel of geen spijt heb dat ik eraan meedeed; ik besefte gewoon niet goed wat er gebeurde.”

Peter van Boven, omstander in de Flamingostraat in Utrecht.