Ik liep mee met loden benen

Door Rianne Oosterom

“Boven in de linnenkast lag de vlag, keurig netjes opgevouwen en gestreken. Ik stond er tijdens de oorlog vaak mee in mijn handen. Ik moest hem steeds terugleggen; hij mocht niet uitgehangen worden. Maar tijdens de bevrijding wel, het was groot feest.

In de Lutgierderskerk was iedere avond een viering met zang; een lof. Toen de kerk uit was, zeiden de andere jongeren: ‘Kom, ga mee, op Zuilen worden meiden kaalgeschoren.’ Natuurlijk ging ik mee. Ik weet nog dat het in de De Lessepstraat was, en arm in aan gingen alle jongeren uit  de kerk daarheen.

Er stonden al een paar kaalgeknipte meiden op een platte wagen die werd getrokken door een tractor. Wij liepen erachter te zingen en te hossen. In de oorlog waren het voor mij ook ‘moffenmeiden’:ik vond het vanzelfsprekend dat zij kaal moesten.
De kar stopte bij een voortuintje. Toen ging de meute, want het was echt een metue, het huis binnen. Ze haalden een meisje naar buiten en sleepten haar op de kar. Ik zag die haren vallen. Op haar kale hoofd werd een hakenkruis geschilderd. Ergens uit een huis zo’n grote spiegel gehaald, al die meiden op de kar moesten in de spiegel kijken hoe ze er zelf uitzagen.

Ik kon niet weg, dus ik liep mee met loden benen. Ik zie nog die vader huilend tegen de muur staan. Vreselijk, ik word er nog emotioneel van. Ik werd door de groep meegenomen. Nu denk ik: waarom ben ik niet weg gegaan? Als ik in de krant zie dat een groep mensen iets doet, vind ik nog dat nog altijd erg. Ik hoop zo’n hetze nooit meer mee te maken. Dan zijn mensen beesten.”

Mevrouw T.H.B., omstander in de De Lessepsstraat in Utrecht